Altijd al
We waren een jaar samen.
Geen eeuwigheid,
een jaar.
Toch was het speciaal,
want jij was van mij.
Samen praten,
Samen lachen,
Samen beleven,
Samen ervaren,
Samen zijn.
Toch was er ook altijd iets anders,
Iemand anders,
Niet groot genoeg om ruzie over te maken,
Niet klein genoeg om te negeren.
Zij.
Jullie.
Hoe haar naam net iets te vaak in jouw zinnen viel,
Hoe je in jaar bijzijn net iets te vrolijk werd,
Hoe jullie elkaar net iets te goed kenden,
Hoe haar profielfoto net iets te vaak op jouw scherm verscheen,
Hoe je net iets te vaak naast haar wou zitten,
Hoe je net iets te veel projecten met haar deed,
Hoe jij net iets te vaak met die blik naar haar keek.
Het was een blik die ik herkende,
Het was een blik die bewondering en liefde uitstraalde,
Het was een blik waarvan ik dacht dat die van mij was.
Jij vertelde dat ik mij geen zorgen hoefde te maken,
Dat ik de enige was voor jou.
Dat zij maar een vriendin was.
Ik wou jou geloven,
Dus ik deed dat.
Ik noemde het vertrouwen,
Ook op de momenten dat het eigenlijk gewoon hoop was.
We zijn nu enkele dagen uit elkaar.
Enkele dagen maar.
Nu lijkt alles duidelijker dan ooit.
Ik kijk naar iets wat altijd al speelde,
Ik kijk naar iets wat nu pas goed zichtbaar is.
Ik zie jullie samen.
Vaker dan eerst.
Dichter dan eerst.
Ik zie hoe jij naar haar kijkt.
Op een manier die ik herken,
Een manier waarvan ik dacht dat die van mij was.
De manier van kijken wordt nu hergebruikt.
En het lijkt zo gemakkelijk,
Zo vanzelfsprekend.
Ze zit achterop bij jou,
Waar ik ooit heb gezeten.
Ze loopt naast jou door de stad,
Waar ik ooit heb gelopen.
Ze lacht met jou tijdens tussenuren,
Waar ik ooit had gelachen met jou.
Het komt nu binnen.
Niet dat het over is,
Maar hoe lang dit al speelde voordat ik het echt duidelijk zag,
Hoe zij er altijd al een beetje was.
Hoe jij eigenlijk altijd al had gewild dat zij degene was die achterop bij jou zat,
Hoe jij eigenlijk altijd al had gewild dat zij degene was die naast jou liep door de stad.
Hoe jij eigenlijk altijd al had gewild dat zij degene was die met jou lachte tijdens tussenuren.
Ik weet dat we uit elkaar zijn,
Dat jij vrij bent om te doen wat jij wilt.
Dat ik er eigenlijk niks meer van mag vinden,
Dat ik er eigenlijk niks meer van mag zeggen.
Maar toch doe ik het,
Toch vind ik er wat van,
Toch zeg ik er wat van.
Want het doet pijn.
Wat jij doet doet pijn,
Wat zij doet doet pijn.
Ik kan niet naar jou kijken terwijl je met die blik naar haar kijkt,
De blik die ooit van mij was.
Ik kan niet naar haar kijken die achterop bij jou zit,
Waar ik ooit zat.
Ik kan niet naar haar kijken terwijl ze naast jou loopt in de stad,
Waar ik ooit heb gelopen.
Ik kan niet naar jou kijken terwijl je in tussenuren met haar lacht,
Waar ik ooit met jou heb gelachen.
Want dat doet pijn.
Snap jij dat niet?
Snapt zij dat niet?
Ik denk het niet.
Anders zou jij het niet doen,
Anders zou zij het niet doen.
Misschien is dat het gewoon.
Dat zij er altijd al was,
En ik geloofde dat ik de enige was.
N