Stadslichten flikkeren, een eindeloos gebaar,
verhalen tussen schemer en de dageraad.
Ze fluisteren geheimen, oud en zwaar,
in de nacht, waar stilte nooit bestaat.
Tussen betonnen reuzen en asfaltzeeën
vangen zij de dromen van de stad,
elke flits een hoop, een wens, misschien
een liefde, in het neonlicht gevat.
Maar als de zon oprijst, heel langzaam, heel zacht,
verdwijnen zij, die wachters van de nacht.