Onder de mantel van de nacht,
fluistert de hemel sterrenpracht.
Zo ver en toch zo dichtbij,
in het donker zijn wij vrij.
Vanuit het zwart, een zilveren lach,
elke ster een verhaal dat nooit vervagen mag.
In de stilte, onder het maanlicht,
vinden verloren zielen elkaar, gezicht in gezicht.
Te midden van de eindeloze droom,
voelt de nacht nooit loom.
Sterren, oude vrienden, geleiden onze weg,
tot de ochtend ons weer vangt, zacht en slechts een zeg.