De zee kust de horizon met haar eindeloos blauw,
golven fluisteren geheimen, in een taal slechts gekend door de kou.
Elke breker, een verhaal, elke rimpel een gedicht,
in de diepte sluimert de stilte, ver van het zonlicht.
De maan speelt met het water, in een eeuwigdurend spel,
ze lokt de golven hoger, met een zilveren bevel.
En in de nacht, onder een tapijt van fonkelende sterren,
voelen we ons klein, onze harten ver van verre.
Maar bij dageraad, met het teder gouden licht,
onthult de zee haar ware gezicht.
Een spiegel voor onze zielen, diep en onmeetbaar groot,
met elke golfslag, fluistert ze ons levensboot.